zondag 4 juli 2010
De blues
'Eindeschooljaarsblues' stond er boven een artikel in de krant afgelopen week. Het stuk was me uit het hart gegrepen. Het einde van het schooljaar (nog één week te gaan) is een tijd van tegenstrijdige gevoelens.
Afgelopen donderdag was de diploma-uitreiking. Stralende gezichten van leerlingen, ouders en docenten. Een slagingspercentage van maar liefst 95 procent. We kunnen trots zijn als school. Van mijn 38 examenleerlingen waren er slechts twee met een onvoldoende voor Nederlands. Een enorme last die van mijn schouders valt. Niet meer de verantwoordelijkheid om al die kinderen, willig of onwillig, slim of wat minder slim, naar de eindstreep te sleuren. Mijn taak zit er voor dit jaar op, het is tijd om even rustig adem te halen.
Maar het betekent ook dat ik al die leuke, gekke, blije gezichten niet meer ga zien. Ze gaan de wijde wereld in. Sommigen zullen nog wel eens langskomen, maar het zal nooit meer hetzelfde worden. Zij gaan verder en ik blijf achter, wachtend op weer een nieuwe lichting die nóóit zo leuk kan zijn als deze.
Ik heb ruzie met ze gemaakt en onbedaarlijk met ze gelachen, ze hebben straf van me gekregen, maar ik was ook trots op ze. Twee jaar geleden waren we onbekenden voor elkaar, en nu nemen we afscheid als oude vrienden. Ik ken ze door en door, en zij mij. Vele uren hebben we met elkaar doorgebracht in dat klaslokaal. Soms was het een feest, soms een ramp. Er waren dagen waarop ik niet uitgeslapen en chagrijnig was, en dagen waarop de hele klas met de hakken in het zand ging staan. Maar de laatste maanden hebben we vooral heel hard gewerkt voor dat ene doel: het diploma.
De gangen op school zijn nu leeg en kaal. Hier en daar plukjes leerlingen om nog iets in te halen of voor een gesprek met de decaan. Maar het bruisende, het leven is uit de school. Ik breng mijn dagen nu vooral door achter de computer: studiewijzers en planningen voor volgend jaar maken. Kopje koffie erbij, tijd om tussen de middag rustig mijn boterhammetje te eten. Net als bij een gewone baan. Ik mis de stemmen van de leerlingen, het geluid van hun voetstappen. Een school zonder leerlingen is een dood gebouw.
Ik weet het, ik zal straks volop genieten van mijn welverdiende weken vakantie. Maar nu moet ik vooral wennen aan de plotselinge overgang. Wie ben ik als ik geen juf ben? Niemand. Ik lijd onder de eindeschooljaarsblues.
maandag 28 juni 2010
Verloren
Dagelijks worden we overspoeld met hartverscheurende beelden op tv. Maar weinig is zo hartverscheurend als het beeld van voetbalfans van de verliezende ploeg na afloop van de wedstrijd. Negentig minuten geleden lag de wereld nog aan hun voeten. Ze wisten het zeker, hun ploeg ging winnen, al moesten ze die bal het doel in schreeuwen.
Een gekke pruik of petje is allang niet genoeg meer. Gisteren stonden tussen de Engelse fans in vol ornaat uitgedoste ridders, compleet met maliënkolders en helmen. Eerder golfden de stars&stripes van de Verenigde Staten door het stadion en het groen van de Mexicanen. Het mocht niet baten. Engeland verloor en ook de Amerikanen en de Mexicanen mogen naar huis.
En daar zit je dan. Heb je 2-1, 3-1 of 4-1 verloren, wat maakt het uit. De geschminkte kleuren van de vlag op je wangen zijn uitgelopen. Je pet is ingedeukt, je toeter ligt ergens zes rijen naar beneden. Heb je al die moeite gedaan om helemaal naar Zuid-Afrika af te reizen, waar het nog ijskoud is ook, en dan verliezen die klootzakken op het veld. Stank voor dank.
Verliezen, wie houdt daar nou rekening mee? Als je er vanuit gaat dat je kunt verliezen in het leven, dan kun je beter meteen ophouden. Het is maar goed dat wij mensen onszelf stelselmatig overschatten. We hopen niet alleen, nee we wéten dat we gaan winnen, dat het goed komt, als we ons best maar doen.
Soms loopt het anders, dan heb je alles gedaan wat je kon doen, en verlies je toch. Dat kan onze geest niet aan, hij crasht, weet zich niet meer op te starten. Het zijn de zwartste momenten in het leven. Dus er moet gewonnen worden, en áls we niet winnen, dan moet daar een aantoonbare reden voor zijn. Een blunderende scheidsrechter bijvoorbeeld.
En dan maar weer zoeken naar lichtpuntjes; er is dan wel verloren, en je moest huilen en je zag er niet uit met je doorgelopen schmink. Maar je was wel mooi met je hoofd op tv. Kun je nagaan, het beeld van jouw verdriet is de hele wereld over gegaan. Dat is dan wel weer een hele troost.
maandag 21 juni 2010
Iets vergeten?
De eindexamens zijn achter de rug, de uitslagen al binnen. Nog nooit in mijn hele bestaan als lerares waren de resultaten zo goed. Ik loop al weken glimmend van trots door de gangen op school. Collega's die het minder getroffen hebben met hun resultaten zijn de grijns op mijn gezicht meer dan zat.
Wie twee klassen minder heeft vanwege de eindexamens, heeft zeeën van tijd over zou je denken. Niet dus. Het is als stoppen met roken. Dan denk je ook dat je een klein fortuin overhoudt aan het eind van de maand omdat je geen sigaretten meer hoeft te kopen. Ook niet waar (schijnt het).
Volgend schooljaar dient zich al weer aan. Wie straks in september goed beslagen ten ijs wil komen, moet nu iets gaan doen. Daarnaast zijn er ook nog artikelen te schrijven, heb ik een computer die eerst geen mail wil ontvangen, maar wel versturen en die later weer wel kan ontvangen, maar ophoudt met ze te versturen. En dan is er natuurlijk ook nog het WK. Heel belangrijk.
Maar er knaagt iets, er is iets. Wat het is, daar kom ik niet helemaal achter. Heel veel tijd om bij dat gevoel stil te staan, heb ik ook niet, want iedere avond val ik uitgeteld in slaap. Ik ken dat zeurderige gevoel, heb het vaker meegemaakt. En als ik zoals vandaag een dag vrij ben, dan daalt het besef in van wat er aan de hand is.
Ik wilde verdieping in mijn leven, toch? Niet alleen maar rennen en jagen, maar stilstaan bij het leven zelf. Ik wilde tijd maken voor God, iedere dag, omdat ik daardoor een gelukkiger mens word. Lezen, gebed, ruimte in mijn hoofd om gedachten te laten ronddwalen. Dàt is wat ik wil, wat ik belangrijk vind. Ik wil niet op een ochtend wakker worden en merken dat het tien jaar later is, zonder dat ik me kan herinneren wat ik in de tussentijd gedaan heb. Zonder dat ik het doorheb, vliegt mijn leven bijkans uit de bocht. Ik voel me schuldig als ik een middagje bij vrienden niets anders doe dan in de zon van een glas wijn genieten.
Monniken bidden zeven keer per dag. Zeven keer per dag moeten zij dat wat ze aan het doen waren; slapen, eten, werken, studeren, laten voor wat het is om naar de kerk te gaan. Dat is niet bedacht uit pesterij. Het steeds weer onderbreken van wat je doet heeft een belangrijke functie: zo zul je niet verdrinken in je bezigheden. Iedere keer, al is het maar een kwartier afstand nemen, maakt dat je leert relativeren en je tijd efficiënt indelen.
Ik ben vooralsnog lang niet zo ver. Stilstaan en afstand nemen vind ik het moeilijkste wat er is. De wereld om mij heen beweegt zich voort in de vijfde versnelling en ik doe daar vrolijk aan mee. Morgen maar 's proberen niet te vergeten wat ik ook al weer zo belangrijk vind in het leven en terug te schakelen naar z'n drie.
dinsdag 8 juni 2010
Amin
Maak kennis met Amin, een van mijn leerlingen uit klas 3A3. Amin is groot en rond en sterk als een beer. Zijn bril, waar hij toch al niet zoveel door ziet, is altijd vies. Het lijkt hem niet te deren. In zijn trainingspak kun je hem uittekenen. In zijn zakken een mobiele telefoon, soms twee. Als hij eraan gedacht heeft bij het van huis gaan 's ochtends, is er ook nog wel een pen te vinden in een van die zakken.
Met een spanningsboog van een minuut of twee, is hij een typische 'basisberoeps'-leerling, het laagste niveau van het vmbo. Amin houdt meer van grappen maken dan van leren, meer van praten dan van luisteren, is beter in een ander vertellen wat hij moet doen dan dat hij zelf in actie komt. Maar hij is niet dom, zeker niet. Hij denkt na over de wereld, heeft over alles een goed onderbouwde mening, hij weet wat hij wil.
Ontelbaar zijn de aanvaringen die ik met hem gehad heb. Alleen al de vraag of hij ergens anders wilde gaan zitten in het lokaal, kon leiden tot oorlog. Amin heeft zo zijn eigen plan, en laat zich daar niet van af brengen. Als dat leidt tot verwijdering uit de klas, tot schorsing zelfs, dan is dat maar zo. Hij schrikt er niet voor terug om met wie dan ook in discussie te gaan, tot de directeur aan toe, overtuigd als hij is van zijn eigen gelijk. En het vervelende is, Amin hééft ook meestal gelijk.
Langzaamaan kwamen we erachter dat we van die grote mond en dat gelijk van 'm gebruik moesten maken. Ik stopte met hem te beschuldigen van alles wat niet goed ging, maar spande hem voor mijn karretje; de eerste van de klas die een spreekbeurt moest houden, de school rond om geld in te zamelen voor een goed doel, Amin doet het zonder problemen. Afgelopen maandag stond hij voor veertig leerlingen te vertellen over het project dat ze zouden gaan doen. Hij deed het glansrijk.
Hij heeft geleerd zich in te houden, is rustiger. Het gaat nog wel eens mis, maar hij doet zijn best. En als het even niet gaat, hoef ik hem maar aan te kijken en dan weet hij wat ik bedoel. Van een ongeleid projectiel is hij in een paar maanden tijd veranderd in een fantastisch, lief en uniek kind. Of, eigenlijk was hij dat natuurlijk al, het kwam er alleen niet uit. Als ik Amin zie, weet ik weer waarom ik het onderwijs op deze school zo verschrikkelijk leuk vind.
woensdag 2 juni 2010
Over de streep
Ik geef niet snel adviezen om een bepaalde film te gaan zien of een zeker boek te lezen. Boeken of films waar ik weg van ben, vinden anderen meestal saai en oninteressant, en dat verdraag ik slecht. Maar nu wel een advies om te gaan kijken: op Uitzendinggemist.nl de documentaire Over de streep.
Een groep leerlingen uit een derde klas op een Amsterdamse middelbare school wordt een dag lang onderworpen aan een Amerikaanse methode om elkaar beter te leren kennen. Meer respect voor elkaar en een einde aan pestgedrag is het doel. Spelenderwijs raken de leerlingen, die soms al jaren bij elkaar in de klas zitten, zo vertrouwd met elkaar dat ze meer vertellen dan ze ooit gedaan hebben.
Het is ontroerend om te zien en te horen wat er werkelijk leeft onder deze pubers. Alle stoerdoenerij, alle façades vallen weg. Na deze dag zullen de leerlingen op een totaal andere manier naar elkaar kijken.
De documentaire laat bijna terloops zien wat deze kinderen allemaal meemaken in hun leven. Ik ervaar het ook bij mij op school vrijwel dagelijks. We foeteren op leerlingen omdat ze te laat komen of omdat ze hun huiswerk niet gemaakt hebben. Maar hoe kan dat ook wanneer ze thuis te maken hebben met drank- en drugsproblematiek, geweld, ruzies, mishandeling, ziekte, dood.
De omstandigheden waaronder sommige van mijn leerlingen opgroeien, gaan ieder voorstellingsvermogen te boven. Het zijn bovendien geen enkele gevallen, en dan nog weet je niet altijd wat kinderen verborgen houden voor de buitenwereld. Wat zo bijzonder is, is ze het vermogen hebben om uit iedere denkbare situatie terug te stuiteren. Ze zijn altijd vrolijk, klagen nooit, gaan braaf een te-laatbriefje halen als de conciërge dat van ze verlangt.
Als leraar vergeet je gemakkelijk dat zij het niet zo getroffen hebben, zoals ik toen ik vijftien was. De tijd en energie ontbreekt me soms om iedereen de aandacht te kunnen geven die die verdient. Maar ik weet uit ervaring dat achter ieder kind een verhaal zit dat vaak heel anders is dan die stoere buitenkant zou vermoeden.
Voor velen is school de enige plek waar het veilig is, waar ze vrolijk kunnen zijn, waar ze zichzelf kunnen zijn, en zelfs daar is het niet altijd veilig. Over de streep laat een doodgewone school met doodgewone leerlingen zien op een buitengewone wijze. Ga het bekijken!
zondag 30 mei 2010
Zegen of vloek?
De volgende tekst is een 'column', uitgesproken tijdens een debat gehouden op zondag 30 mei, met dominee Jacobine Geel, essayiste Nahed Selim en mijzelf over het onderwerp 'Religie: zegen of vloek voor de vrouw' in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede.
Vandaag debatteren we over een stelling, 'Religie: zegen of vloek voor de vrouw', die er alle schijn van heeft op een gemakkelijke manier beantwoord te kunnen worden. Namelijk, we kunnen allemaal wel een flink aantal voorbeelden noemen van situaties waarin religie een middel was, of is, om de vrouw te beknotten, binnen te houden, te onderdrukken, te kleineren. In de geschiedenis en in het heden is de religie veelvuldig gebruikt als stok om mee te slaan, en de vrouw lijkt vaak favoriet te zijn als slachtoffer.
Maar, we moeten de stok en degene die de stok vasthoudt, niet met elkaar verwarren. De stok, dat is de religie, en die hem vasthoudt, dat is in zowel heden als verleden, de machthebber, de sterkste, degene met de grootste bek, en vaak de man. Maar we hebben het er vandaag niet over of mannen een zegen of vloek zijn voor vrouwen, maar of de religie dat is. We onderzoeken vandaag dus de stok. Is dat inderdaad een afschrikwekkend marteltuig?
Ik ben geen theoloog, en geen bijbelwetenschapper, dus voor geleerde uitspraken op het religieuze vlak, moet u niet bij mij zijn. Ik heb Nederlands gestudeerd, dus ik kan wél lezen. Dat doe ik dan ook graag en zo veel mogelijk. Soms verdenk ik mezelf van het feit dat de religie mij zo aanspreekt is, omdat ik de verhalen zo mooi vind. Die gaan in veel gevallen over mensen, individueel of als groep, die als minderheid tegen de massa, de overheerser moeten vechten. Denk aan: Abraham en Sara die in Kanaän moeten zien te overleven, Jozef die in Egypte leeft, David die tegen Goliath strijdt, Job die het moet opnemen tegen zijn vrienden, grote profeten als Elia, Jeremia en de auteur van het bijbelboek Prediker die vaak slechts roependen in de woestijn lijken. Ook is er natuurlijk de naamgever van het christelijk geloof, Jezus zelf, die het moet opnemen tegen de Farizeeën en schriftgeleerden. En niet alleen tegen hen, zelfs zijn eigen familie wantrouwt hem. Tenslotte hebben ook Jezus’ volgelingen het bepaald niet gemakkelijk gehad.
In de bijbel, het enige werkelijk tastbare ‘bewijs’ van het christelijk geloof, wordt niet zozeer de vrouw onderdrukt, maar veeleer iedereen die afwijkt van de heersende norm! Toch is diezelfde bijbel er het bewijs van dat mensen, ondanks alle ontberingen en onderdrukking, zich bleven vastklampen aan dat geloof. Waarom deden ze dat?
Ik kan mijzelf dezelfde vraag stellen: waarom hang ik een geloof aan – ik ben katholiek – dat onderdrukking en hiërarchische verhoudingen en alle ellende die daarmee samenhangt, in de hand lijkt te spelen? – Ik wil het blijven hebben over die stok waarmee mensen geslagen worden, en niet degenen die de stok vasthouden. De huidige staat van het instituut RK-kerk is niet anders dan meelijwekkend, in mijn ogen – Nee, het gaat mij om de religie. Om het geheel van wijsheden en regels, van levenslessen en handreikingen. Vormen dié vloek of zegen voor mij als vrouw, als mens? Geven die een steun in de rug of is het een hand die mij neerdrukt? Een zachte bries of een verwoestende orkaan? Daarover kan ik kort zijn. Mijn geloof, mijn religie maakt mij een gelukkiger, heler, evenwichtiger mens dan ik zonder dat geweest zou zijn. Daar ben ik van overtuigd.
Natuurlijk, ik heb veel geluk gehad. Ik heb voor alles het geluk gehad dat ik op jongvolwassen leeftijd zélf heb kunnen kiezen. Met mijn volle verstand, in alle vrijheid. Ik heb heel bewust in mijn geloof tijden van euforie kunnen meemaken, wittebroodsweken nadat ik op mijn vierentwintigste was toegetreden tot de katholieke kerk. Als ik geen zin heb om naar de kerk te gaan, of mij aan welke regel dan ook te houden, dan is er niemand die mij dwingt. Het geloof is voor mij uitsluitend een bron van levenswijsheid die ik nodig had, die ieder mens volgens mij nodig heeft. Het geeft richting en zin aan mijn leven, die volgens mij ook ieder mens nodig heeft.
De personages uit de Bijbel zijn als goede vrienden voor me, die mij wijze raad en bemoediging geven. Van Sara, die zo lang op een nakomeling heeft moeten wachten, leer ik geduldig te zijn, ook als dat heel moeilijk is. Je hoort haar niet roepen: ‘Ik heb recht op een kind!’, zoals ik vaak vind dat ik ‘recht’ heb op dingen, iets ‘verdiend’ heb. Van Ester leer ik niet bang te zijn om voor mezelf op te komen, om iets te wagen, mijn eigen weg te gaan. En Maria is voor mij een toonbeeld van iemand die vertrouwen heeft in de loop der dingen, die zich niet van haar stuk laat brengen door onverwachte gebeurtenissen, die haar eigen plannen opzij kan zetten.
De personages uit de Bijbel zijn als goede vrienden voor me, die mij wijze raad en bemoediging geven. Van Sara, die zo lang op een nakomeling heeft moeten wachten, leer ik geduldig te zijn, ook als dat heel moeilijk is. Je hoort haar niet roepen: ‘Ik heb recht op een kind!’, zoals ik vaak vind dat ik ‘recht’ heb op dingen, iets ‘verdiend’ heb. Van Ester leer ik niet bang te zijn om voor mezelf op te komen, om iets te wagen, mijn eigen weg te gaan. En Maria is voor mij een toonbeeld van iemand die vertrouwen heeft in de loop der dingen, die zich niet van haar stuk laat brengen door onverwachte gebeurtenissen, die haar eigen plannen opzij kan zetten.
Het geloof is geen geluksmachine; Maria die de engel een ‘begenadigde vrouw’ noemt, zal haar eigen zoon zien sterven aan een kruis. Toch was het geloof voor haar, en is dat voor mij en zo vele, vele anderen een bron van inspiratie en geluk. Ik realiseer me, dat dat echter niet voor iedereen geldt, man of vrouw. Ik zou het iedereen toewensen.
maandag 24 mei 2010
Pinksteren
Pinksteren. Het is maar goed dat dit feest achteraan in het rijtje van de kerkelijke feesten staat. Het liturgisch jaar begint met Kerst. Een kindje wordt geboren; lekker overzichtelijk. Dan komt Pasen, dat is al een stuk ingewikkelder. Hoe stel ik me die verrijzenis voor? Wat is de boodschap? En nu is het dan Pinksteren waarmee we 'de uitstorting van de heilige Geest' vieren. Daar kunnen we ons echt niets meer bij voorstellen, laat staan dat duidelijk is wat de bedoeling ervan is.
Meestal zie ik Pinksteren maar als een soort officiële afsluiting van de paastijd. De paaskaars die een aantal weken heeft gebrand wordt met een groot gebaar gedoofd. Dat was het weer voor dit jaar. Net zoiets als de afsluitingsceremonie van de Olympische spelen.
Maar het leuke van het geloof is, dat soms ineens zich nieuwe inzichten kunnen voordoen. Zo bedacht ik gisteren in de kerk dat Pinksteren eigenlijk heel veel te maken heeft met overgave. We zingen verschillende malen, iedere keer weer een beetje anders, of de Geest wil komen, ons wil vervullen. We bidden dat wijsheid ons deel mag worden, en genezing, licht en warmte, genade en liefde.
Allemaal zaken die ik zelf niet kan 'maken', die er niet vanzelfsprekend zijn. Het zijn dingen die mij gegeven moeten worden, waarvan ik hoop dat ze mij ten deel zullen vallen. Ik kan ze nergens gaan halen, nergens kopen. Ook kan ik ze niet 'verdienen' als ik maar goed genoeg mijn best doe.
Liefde en geluk, wijsheid en troost zijn dingen die je overkomen, zomaar, zonder dat je het had verwacht. Je kunt er vurig op hopen, je kunt ze proberen af te smeken, of het op een akkoordje proberen te gooien met God. Maar zo werkt het niet, je moet rustig wachten tot de Geest ze je geeft.
Kan ik dan niets anders dan passief afwachten? Nee, God houdt niet van passief. De belofte van Gods cadeautjes moet ons scherp houden. Dat is wat we doen met Pinksteren. Wat is het toch een mooi geloof.
dinsdag 18 mei 2010
De grote dag
Een jaar lang hebben we geoefend, geoefend en nog eens geoefend. Werkwoordspelling, schrijfvaardigheid, woordenschat, begrijpend lezen, samenvatten; alles ter voorbereiding op het eindexamen. En vanmorgen om 9 uur was het zover. Gisteren heb ik als een huisarts nog spreekuur gehouden; ieder half uur een nieuwe patiënt om de puntjes op de i te zetten. Gisteravond al mijn achtendertig examenkandidaten nog gebeld om zeker te zijn dat ze op tijd zouden komen.
Vanmorgen half 9. De kantine is gevuld met nerveuze leerlingen. 'Juf, juf, hoe is de indeling van een brief ook al weer?' 'Wat moet ik doen als ik naar de wc moet?' 'En als mijn pen nou leeg is, en mijn zes reservepennen ook, wat dan?' Het is de enige dag in het jaar waarop álle leerlingen een pen bij zich hebben.
Tien voor 9. We dalen af naar de gymzaal. Tafels en stoelen staan in lange rijen opgesteld. Ieder zoekt zijn plaats. Vooral de meisjes zijn hypernerveus, zoeken bevestiging bij mij. Ik zeg dat het wel goed zal komen, we hebben er alles aan gedaan. De enveloppen gaan open, het werk wordt uitgedeeld en zo'n tweehonderd hoofden buigen zich over de examenopgaven. Je hoort wel eens zeggen dat kinderen lief zijn als ze slapen; ze zijn nog liever als ze examen aan het maken zijn. Ze werken of hun leven ervan afhangt, en dat doet het in feite ook.
Al snel daarna een schok: Ildem is er niet! Ik heb haar gisteren nog gesproken. Ze was vol vertrouwen en zei dat ze al om 8 uur op school zou zijn. Waar is ze? Zit ze vast in een bus met een lekke band? Ligt ze onder de tram? De examencoördinator gaat naar huis bellen. Een half uur later pas verschijnt ze. Ik kijk haar aan en ze barst in tranen uit. Ik neem haar mee naar buiten. Ze had de wekker gezet, maar hij is niet afgegaan. Ze is totaal in paniek. Ik eigenlijk ook, maar laat dat niet merken. Ik troost haar, ze moet toch aan het examen gaan beginnen. Een bekertje water, een zakdoek om de ergste tranen weg te vegen. Dit zal ze haar hele leven niet meer vergeten, maar dat weet ze nu nog niet.
Om 11 uur gaan de pennen neer. Het viel mee, geen grote verrassingen, het was te doen. Met rode konen verlaten mijn leerlingen het slagveld. Dat was één, de kop is eraf.
vrijdag 14 mei 2010
Quote van de dag
Zakaria zit een beetje te rotzooien, voert bijzonder weinig uit. Ik heb hem al een paar keer aangespoord om aan het werk te gaan. Zonder resultaat. Dan maar even streng zijn. 'Zakaria, ik kom over vijf minuten bij je terug, en dan is je werk af!'
Reactie van Zakaria: 'Maar juf! Ik ben geen Ferrari!'
Reactie van Zakaria: 'Maar juf! Ik ben geen Ferrari!'
dinsdag 11 mei 2010
Ode aan de Nikè van Samothrake
Ze staat op een sokkel die op een schip lijkt. Ze staat onder machtige bogen van zacht gekleurd kalksteen. Maar dat alles valt nauwelijks op. Al je aandacht wordt naar haar getrokken. Machtig troont ze boven je uit als je de trappen van de Denon-vleugel van het Louvre bestijgt.
Alleen een museum zo immens en overweldigend als het Louvre kan haar tot haar recht laten komen. Hoe groot zal ze zijn? Drie meter? Vier, vijf, zes? Het is moeilijk te zeggen. Ze heeft de ruimte nodig om haar macht te vertonen. Op iedere andere plaats zou zij alles om haar heen met haar uitstraling verpulveren.
De wind blaast haar kledij dicht tegen het welgevormde lichaam aan. Het is nat van het opspattende water. Flarden stof plakken aan haar benen, haar heupen, haar borsten. Maar ze staat sterk, recht vooruit. Het is niet erg dat haar hoofd ontbreekt, want je weet hoe het eruit gezien heeft: fier en opgeheven. Dat kan niet anders. Haar armen zal ze strijdlustig ten hemel geheven hebben. Dit is geen vrouw waarmee te spotten valt.
Ik houd normaal gesproken niet zo van beelden. Kan er niet veel anders van vinden dan dat ze knap gemaakt zijn. Ze raken me niet. Maar deze Nikè van Samothrake overdondert mij iedere keer weer als ik naar haar ga kijken. Vorige week was het weer zover. Ik stond onderaan de trap en keek naar haar op. Ademloos.
dinsdag 4 mei 2010
Een gezicht
Lange tijd had ik helemaal niets met Jezus. Ik vond hem in de evangelieverhalen altijd zo moralistisch overkomen. Zo betweterig. Het braafste jongetje van de klas dat ons allemaal bij de les probeert te houden. En dan die afbeeldingen van hem. Het baardje, het zegenende vingertje. Zelfs op plaatjes waarop hij aan het kruis hangt, vond ik hem nog een vervelende vent.
God, daar kon ik tenminste mijn fantasie op loslaten. God was lekker vaag, lekker abstract. God is liefde, maar God jaagt ook tien plagen over de Egyptenaren. Hij zegt niet veel en is er toch. God was voor mij de ideale romanheld, heel anders dan Jezus.
Tot ik bovenstaand plaatje ontdekte. Het stond op de boekjes van de dagsluiting die we iedere avond in het klooster gebruikten. Vaak moesten we even wachten om te beginnen tot de hele ploeg zusters compleet was, en dan keek ik naar dit plaatje.
Het is Jezus, overduidelijk, maar zo anders dan de gangbare afbeeldingen. Geen vingertje, dat in ieder geval. En die baard valt op dit plaatje ook wel mee. Later kwam ik erachter dat het geschilderd is door de Franse expressionist Georges Rouault.
Hier gaat het niet om 'waarheidsgetrouwheid' of 'historiciteit'. Godzijdank. Rouault heeft een Jezus weten af te beelden die voor mij geloofwaardiger is dan al die andere bij elkaar. Een man, een mens die je indringend aankijkt. Niet be- of veroordelend, niet uit op het uitdelen van rapportcijfers.
Dit is het gezicht van een mens die mij ziet. Niets meer dan dat. Hij ziet zonder te oordelen, hij is aanwezig zonder zich op te dringen, hij loopt met mij mee, maar laat mij vrij mijn eigen weg te gaan. Zo is Jezus voor mij. En dat allemaal door een plaatje.
zaterdag 1 mei 2010
Helpdesk
Voor alle computernerds, digibeesten, iPhoneverslaafden en alle andere aanbidders van alles waar een stekker aan zit. We hebben allemaal wel van die dingen thuis in kasten staan, die bij mij - en ik weet dat ik niet de enige ben - tegenwoordig vooral als behang dienen.
donderdag 29 april 2010
zondag 25 april 2010
Soft
In een volstrekt verseculariseerde krant als de Volkskrant kwam ik dit weekend de volgende artikelen tegen: twee stukken over stilte, een over spiritueel leiderschap en een over het verschijnsel van de menselijke identiteit. Natuurlijk ging het in de krant ook over Geert Wilders, vulkanen op IJsland en over Afghanistan, maar toch.
'Soft' zijn, aandacht hebben voor de binnenkant is niet langer een schande. Sterker, het is een pré om je eigen zachte kanten te tonen. Wouter Bos spande dit weekend de kroon door in dezelfde krant er vierkant voor uit te komen: 'Ik ben een softie,' riep hij triomfantelijk.
Bij mij op school is het management op cursus geweest, en sindsdien denken ze in kleuren. Wie 'blauw' is in zijn leiderschap, legt vooral de nadruk op de regels en procedures. Als je als manager 'rood' bent, staat de mens voor jou voorop. Je kunt ook nog geel of wit of groen zijn. Maar wie niet op z'n minst een beetje rood is, kan het wel vergeten.
Ik houd er wel van, dat we een beetje lief zijn voor elkaar. In het klooster, waar ik lang geleden een jaar heb doorgebracht, was het aardig zijn voor elkaar tot kunst verheven. Mijn ouders werden ontvangen alsof de koninklijke familie op bezoek kwam, zo hartelijk. Terwijl de zusters nog honderd andere dingen te doen hadden, kwam er steevast koffie en taart op tafel en werd er uitgebreid gekletst. Niet alleen bij mijn ouders, maar bij die van alle dertig zusters!
Het is een mooi gebaar om je eigen prioriteiten en plannen even opzij te zetten voor een ander. Dat is eigenlijk helemaal niet soft. Sterker, het valt soms niet mee om te zien wat een ander nodig heeft én om daarnaar te handelen. Soft is hard werken. Soft is levenskunst. Soft is cool!
dinsdag 20 april 2010
Ode aan Freeman Dyson
Freeman Dyson is een natuurkundige van het kaliber Einstein. Hij deed onderzoek naar de kwantummechanica, de fysica, gammastraling, en nog veel meer. Ook weet hij veel van het heelal. Dyson ziet er zelf een beetje uit als een buitenaards wezen, nog het meest als een Gremlin.
Het bijzondere van deze man is, dat hij niet alleen hele mooie (maar meestal onbegrijpelijke) dingen zegt over de fysica; hij is ook een gelovig mens. Een gelovig mens op de manier waar ik van houd: godsdienst is voor hem geen wiskunde, geen wetenschap, geen optelsom. Hij verwondert zich over de schoonheid van het alles om zich heen, en vermoedt dat God, wie of wat dat ook is, daar iets mee van doen heeft.
Uit een toespraak die hij in 2000 hield:
"I am content to be one of the multitude of Christians who do not care much about the doctrine of the Trinity or the historical truth of the gospels. Both as a scientist and as a religious person, I am accustomed to living with uncertainty. Science is exciting because it is full of unsolved mysteries, and religion is exciting for the same reason."
donderdag 15 april 2010
Meisjesklas
Bij ons op school kunnen de leerlingen kiezen uit twee beroepsrichtingen: economie en zorg&welzijn. Zorg&welzijn is te vergelijken met de vroegere huishoudschool. Natuurlijk zijn het vooral meisjes die voor deze richting kiezen. Ik had er nooit iets mee te maken omdat ik lesgeef in het team economie, een richting waarin het aantal meisjes en jongens elkaar ongeveer in evenwicht houdt.
Dit jaar moest ik eraan geloven: ik zou ook een zorg&welzijnklas voor mijn rekening gaan nemen. Ik had er weinig zin in; tijdens de pauzes zijn het meestal de meiden die het meeste lawaai maken. De jongens stellen zich tenminste niet zo aan. En als ze iets doen, kun je tegen ze zeggen dat ze moeten kappen, en dat doen ze meestal dan ook. Meisjes niet. Die kunnen je aankijken met een blik van 'val dood' waarna ze rustig doorgaan met hun hysterische gedrag.
De klas die ik kreeg stond bekend om de dagelijkse onderlinge ruzies. Esra moest ik niet in de buurt van Rinalda zetten, want dat zou geheid misgaan; Fadoua en Ikram waren soms dikke vriendinnen, maar vaak ook niet; Fatiha was Dominique al een paar keer aangevlogen. Gezellig.
Maar de eerste les ging goed. Spontaan begonnen ze me te vertellen over de problemen van vorig jaar, en ze spraken gezamenlijk het voornemen uit dat dit jaar anders zou worden. Dat werd het. Niet dat er nooit meer geruzied werd, het zijn tenslotte meisjes, maar toch.
Het is een stel theemutsen bij elkaar. Ik lach in stilte als ik zie hoe anders ik deze klas moet aanpakken dan mijn andere groepen vol stoere knullen. Die kan ik gewoon zeggen dat er vandaag hard gewerkt moet gaan worden. Als er naar mijn zin te veel gerommeld wordt, sla ik met mijn vuist op tafel en dan is het klaar.
Zo niet met 4V1. De dames komen op hun dooie gemak binnen wandelen. Ze moeten eerst elkaar begroeten, alsof ze elkaar al weken niet gezien hebben. De gebeurtenissen van het afgelopen uur worden minutieus onder de loep genomen. Dan moet de outfit van de juf bestudeerd worden. Kan het ermee door vandaag? 'Goh juf, u ziet er wel een beetje moe uit. Laat naar bed gegaan? En wat heeft u dan gedaan gisteravond?'
Langzaamaan probeer ik de dames ertoe te bewegen hun spullen te pakken en te gaan zitten. Het moet vooral niet te snel gaan, want dan gaat de groep als één blok op de rem staan, en is er de rest van het uur geen beweging meer in te krijgen. Het is de kunst om zo ongemerkt mogelijk tot de les over te gaan. Zonder dat ze er erg in hebben, zijn ze dan ineens aan het werk gegaan. Als ik geluk heb, houden ze dat een kwartiertje vol. Tot het moment dat er ineens eentje opschrikt: hé, we zijn aan het werk! Dat is de bedoeling niet. Op dat moment kan ik weer van voren af aan beginnen met het masseren van de groep.
zondag 11 april 2010
Examen
Allereerst mijn oprechte excuses aan u, lezer, voor het uitblijven van een stukje de afgelopen week. Een van de beloningen die ik mijzelf toegezegd had na de Vasten, was de aanschaf van een iPhone. Wekenlang heb ik ernaar toe geleefd en Jezus was nog niet verrezen, of het kleinnood was in mijn bezit. Ik ben er niet meer van weg te slaan. Vandaar dat de rest van mijn leven, waaronder het schrijven van blogjes, even op een laag pitje heeft gestaan. Dank voor uw begrip.
Over iets meer dan een maand beginnen de eindexamens. Ik heb dit jaar twee examenklassen, en de oplopende spanning is voelbaar. Ineens hoor ik leerlingen dingen zeggen als: 'Juf, als we goed werken, mogen we dan wat langer blijven?' Of: 'Heeft u nog wat extra opdrachten voor me voor het weekend?'
Niet alleen de leerlingen raken zenuwachtig; ik evenzeer. We doen in de les niets anders meer dan oude examens maken en bespreken. En hoewel ze het niet slecht doen, zijn er dingen waar ik in deze laatste weken graag veel uitgebreider bij zou willen stilstaan.
Het is een strijd die ze niet kunnen winnen. Een tekst van een aantal jaar terug begint met de zin: 'Het is vijf voor twaalf voor de Afrikaanse olifant.' In een andere tekst staat: 'De artsen maken het wel erg bont.' Of: 'Nederlanders verhuizen niet halsoverkop naar het buitenland.' Vijf voor twaalf, het bont maken, halsoverkop. Het had er net zo goed in het Chinees kunnen staan; mijn leerlingen hebben geen idee wat het betekent. Dit idiomatisch taalgebruik is voor mijn leerlingen een onneembare hobbel, en het stikt ervan in onze geschreven taal.
Het enige wat ik met mijn klassen kan doen, is de meest voorkomende uitdrukkingen bespreken. Verder leer ik ze trucjes hoe ze een vraag kunnen beantwoorden die ze eigenlijk niet begrijpen, over een tekst die ze eigenlijk niet begrijpen. Ik moet zeggen, dat doen ze verbazingwekkend goed.
Zo staan deze weken in het teken van sleuren. Ik sleur mijn leerlingen door de examenvragen heen. Wat is de vraag? Waar denk je dat het antwoord zou kunnen staan? Hoe kun je weten wat het in ieder geval niet moet zijn? Op welke signaalwoorden moet je letten? Het is taaie stof en het is oersaai. Als een ouderwetse onderwijzer dicteer ik wat ze moeten weten. Maar ze zijn tot in hun tenen gemotiveerd en geconcentreerd. Nu kan ik ze nog helpen, uitleggen, hun hand vasthouden. Straks, als ze achter een tafeltje in de gymzaal zitten moet ik ze loslaten, en dan moeten ze het helemaal zelf doen.
Over iets meer dan een maand beginnen de eindexamens. Ik heb dit jaar twee examenklassen, en de oplopende spanning is voelbaar. Ineens hoor ik leerlingen dingen zeggen als: 'Juf, als we goed werken, mogen we dan wat langer blijven?' Of: 'Heeft u nog wat extra opdrachten voor me voor het weekend?'
Niet alleen de leerlingen raken zenuwachtig; ik evenzeer. We doen in de les niets anders meer dan oude examens maken en bespreken. En hoewel ze het niet slecht doen, zijn er dingen waar ik in deze laatste weken graag veel uitgebreider bij zou willen stilstaan.
Het is een strijd die ze niet kunnen winnen. Een tekst van een aantal jaar terug begint met de zin: 'Het is vijf voor twaalf voor de Afrikaanse olifant.' In een andere tekst staat: 'De artsen maken het wel erg bont.' Of: 'Nederlanders verhuizen niet halsoverkop naar het buitenland.' Vijf voor twaalf, het bont maken, halsoverkop. Het had er net zo goed in het Chinees kunnen staan; mijn leerlingen hebben geen idee wat het betekent. Dit idiomatisch taalgebruik is voor mijn leerlingen een onneembare hobbel, en het stikt ervan in onze geschreven taal.
Het enige wat ik met mijn klassen kan doen, is de meest voorkomende uitdrukkingen bespreken. Verder leer ik ze trucjes hoe ze een vraag kunnen beantwoorden die ze eigenlijk niet begrijpen, over een tekst die ze eigenlijk niet begrijpen. Ik moet zeggen, dat doen ze verbazingwekkend goed.
Zo staan deze weken in het teken van sleuren. Ik sleur mijn leerlingen door de examenvragen heen. Wat is de vraag? Waar denk je dat het antwoord zou kunnen staan? Hoe kun je weten wat het in ieder geval niet moet zijn? Op welke signaalwoorden moet je letten? Het is taaie stof en het is oersaai. Als een ouderwetse onderwijzer dicteer ik wat ze moeten weten. Maar ze zijn tot in hun tenen gemotiveerd en geconcentreerd. Nu kan ik ze nog helpen, uitleggen, hun hand vasthouden. Straks, als ze achter een tafeltje in de gymzaal zitten moet ik ze loslaten, en dan moeten ze het helemaal zelf doen.
dinsdag 6 april 2010
zondag 4 april 2010
Het licht dat doorbreekt
De paaswake is een bom vol symboliek. Wie op deze avond nietsvermoedend naar de kerk gaat, heeft geen idee waar het over gaat. De boodschap van de nachtmis met Kerst is simpel: er is een kindje geboren op aarde, klaar. De paaswake daarentegen is een bonte lappendeken van gebeurtenissen.
De elementen uit de natuur spelen een grote rol: licht, vuur, water. Er worden lezingen gelezen die gaan over schepping, bevrijding en verlossing. De engelen, heiligen en martelaren worden aangeroepen. Dat alles staat in het teken van het grote ontwaken, het nieuwe leven, het Licht met een hoofdletter.
Buiten regent het pijpestelen en denderen de trams als vanouds voor de kerk langs. Binnen steken wij onze kaarsjes aan de grote paaskaars aan. De donkere kerk baadt plotseling in een zee van kaarslicht. Er is voor mij geen houden aan: ik laat me meeslepen op de stroom van vreugdevolle klanken; de langgerekte Alleluia's die voor het eerst sinds zeven weken weer klinken. De jubelzangen die uitbarsten als een bloem die uit de knop barst.
Natuurlijk is de wereld nog hetzelfde als we na tweeëneenhalf uur naar buiten stappen, maar toch is alles anders. Het is Pasen!
vrijdag 2 april 2010
De dood van een mens
Geen kaarsen, geen bloemen. Geen kleurrijke gewaden, geen wierook. Geen orgelmuziek, geen vrolijke stemmen. Het is 4 mei in de kerk. Het is leeg en donker, kaal en doods. De kerk is geen kerk meer, maar slechts een leeg gebouw zonder functie. Zoiets als een veilinghal voor bloemen in november.
Wat ons rest is de dode te betreuren. En niet alleen die ene. De kern van de dienst is de lange voorbeden. Voor allen die lijden: de slachtoffers van aardbevingen - niet alleen die van Haïti en Chili, maar ook die van Pakistan, die allang vergeten zijn, de armen - niet alleen in Afrika, maar ook recht onder onze ogen, de slachtoffers van oorlogsgeweld en twisten om macht, de zieken, de eenzamen, de misbruikten, de mensen die niet gehoord, niet erkend, niet geliefd worden. Maar we bidden ook voor onszelf, omdat wij anderen dat leed aandoen, en omdat ons leed aangedaan wordt. We bidden voor de natuur en de wereld om ons heen die we schaamteloos uitbuiten.
Nee, het is geen vrolijke boodschap vandaag. Het is een boodschap waar we het liefst met een grote boog omheen lopen. Het leed dat dagelijks aan ons voorbij trekt, maar dat we niet willen zien. Vandaag worden we hardhandig met onze neus op de feiten gedrukt; kijk naar wat er om je heen gebeurt en draai je niet om als wat je ziet niet fraai is. Dat is de boodschap van Goede vrijdag.
Al het lijden, al het verdriet samengebald in het gebroken lichaam van één mens. En ik sta erbij en kijk ernaar. Wat is mijn rol in dit schouwspel? Hier zijn geen woorden voor, hier past slechts stilte.
Abonneren op:
Posts (Atom)













