maandag 13 december 2010

Op bezoek in de echte wereld


We gingen op bezoek bij een bedrijf. In het kader van een training sociale vaardigheden voordat onze leerlingen op stage gaan (pet af als je binnenkomt, de ander aankijken als die je een hand geeft, je naam zeggen, telefoon uit en in je jaszak laten, jas uit, etcetera, ecetera).

Zo togen twee docenten, een stagiare en zeventien leerlingen op een koude ochtend naar het hoofdkantoor van de Nuon; een groepje wilde apen losgelaten in de echte wereld. In ieder geval, zo leken de Nuon-medewerkers erover te denken, getuige de vele verbaasde gezichten die ons aanstaarden vanachter hun met plastic lamellen behangen ramen van hun kantoortuinen.

De klas mocht plaatsnemen in een zaaltje met gipsplaten en tl-bakken aan het plafond, linoleum op de vloer en grijze kantoormeubelen. Ook hier weer: werknemers die ons verschrikt en verbaasd aanstaarden. Alle kamerdeuren potdicht. Ik vroeg mij af, zouden wij ook met zoveel argwaan bekeken worden als ik hier met een klas vol hoogblonde kinderen was gekomen?

De leerlingen hadden een presentatie voorbereid over wat ze de afgelopen weken geleerd hadden. Braaf lazen ze hun powerpointsheets voor. Ze deden enorm hun best om rustig te blijven zitten, ook toen er een saai filmpje over Nuon (zonder geluid) werd gedraaid.

Na anderhalf uur zat het bezoek er weer op. Zowel leerlingen als ik waren blij dat we weer lekker terug naar onze eigen gekke school mochten. Met zijn brommer op alleen het achterwiel ('wielie trekken') racete Rachid het terrein af. Als er ooit nog een vervolg komt op 'Debiteuren, crediteuren' van Jiskefet dan weet ik de perfecte locatie.

zaterdag 27 november 2010

Het reservaat


We leven in een klein land, maar als je op een doordeweekse avond naar de andere kant van dat kleine landje moet, en weer terug, dan valt dat toch wel tegen...

Zo zat ik vorige week op een tijdstip ver na mijn gebruikelijke bedtijd in een trein die mij van Roermond terug naar Amsterdam moest brengen. Om het nog een beetje aangenaam te maken, had ik een kaartje voor de eersteklas gekocht.

Desalniettemin zat er in mijn coupé, een paar banken achter mij, een man meer dan hardop in een mobiele telefoon te praten. Hij had Sjaak aan de lijn. Voor iedereen duidelijk hoorbaar vertelde hij Sjaak dat hij wel rond een uur of elf in de kroeg zou zijn. Uit zijn plat Amsterdamse accent kon ik opmaken dat die kroeg in onze hoofdstad moest staan. Ik wist dat hij elf uur nooit zou gaan redden, we waren Weert nog niet eens gepasseerd, maar ik had geen zin om hem dat te gaan vertellen.

Een tijdje bleef het stil. Toen belde Sjaak weer. Mijn coupégenoot riep door zijn telefoon dat de reis zo 'attenooije lang' duurde. Mijn aanvankelijke ergernis om zijn luidruchtigheid sloeg om in een vaag gevoel van verbroedering. In het pikkedonker raasde deze trein door, op weg naar ons beider thuis.

Op het overloopje van onze coupé was inmiddels iemand neergestreken die luidkeels liedjes begon te zingen in een onverstaanbare taal. Ik kon hem niet zien, maar horen des te meer. Hij zou tot Amsterdam niet meer ophouden met zingen.

Later, het was inmiddels ruimschoots elf uur geweest en nog altijd was onze eindbestemming niet in zicht. Sjaak weer aan de lijn. 'Se gaon sauw foetselpakkette uitdeele', grapte mijn achterbuurman. Ik moest er hardop om lachen.

Mijn rust werd inmiddels behalve door Sjaak en door de zingende man verstoord door een jongen die makkelijk een van mijn leerlingen had kunnen zijn, en die continu heen en weer door de coupé beende. Daar zit je dan, hopend op wat rust met je dure eersteklaskaartje.

Toen we eindelijk, eindelijk de lichten van de stad dichterbij zagen komen, bedacht ik met stille pret dit: de rest van het land kan rustig gaan slapen; alle gekken zijn weer veilig terug in het reservaat dat Amsterdam heet.

zondag 21 november 2010

De eeuwigheid



Ik krijg wel vaker het verzoek om een lezing te houden, en dat doe ik graag. Soms echter stelt het verzoek mij voor problemen. Zo ook dit weekend. Of ik een praatje wilde houden over het begrip 'eeuwigheid'. De organisatie had mij ergens in het vroege voorjaar van dit jaar gepolst en toen dacht ik, ach, dat is nog zo ver weg, in de tussentijd verzin ik wel iets zinnigs om te zeggen. Maar als je maar lang genoeg wacht wordt 'zo ver weg' vanzelf 'morgen', en toen had ik dus een probleem.


Gelukkig zijn er altijd de oude, vertrouwde wijze geschriften waar ik op kan terugvallen. Na een en ander gelezen te hebben, kwam ik toch tot een aantal zinnige gedachten, al zeg ik het zelf. Hieronder een korte samenvatting van mijn praatje over de eeuwigheid.


In de bijbel komt het begrip eeuwigheid lang niet zo vaak voor als we misschien zouden denken. Met name in de psalmen komt het wel een aantal keer voor. Steeds wordt hierbij de eeuwigheid in verband gebracht met God: God is trouw in eeuwigheid, de naam van God zij geprezen in eeuwigheid, Gods heerschappij duurt tot in eeuwigheid, God zelf is in eeuwigheid. 


In de evangelieverhalen komt het woord slechts drie keer voor. De meest bekende is in de lofzang van Maria. Bij Lucas spreekt Maria, nadat een engel bij haar langs geweest is om haar te vertellen dat ze zwanger zal worden: 'Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig de barmhartigheid die Hij, zoals aan onze vaderen toegezegd, bewijzen wil aan Abraham en zijn nageslacht, voor eeuwig'. 
Ook hier zijn God en de eeuwigheid innig met elkaar verbonden, misschien zou je zelfs wel kunnen stellen dat God de eeuwigheid ís – of omgekeerd.

In die andere grote verhalende traditie – de Griekse mythologie, gaat het ook vaak over de eeuwigheid. Prometheus krijgt een eeuwige straf (hij wordt aan een rots vastgeketend en iedere dag zal een adelaar zijn lever uitrukken, die vervolgens 's nachts weer aangroeit). Tantalus moet voor eeuwig honger en dorst lijden terwijl drank en spijzen om hem heen zijn, nadat hij de goden bedrogen had. Steeds weer wordt in de mythologie bovendien benadrukt dat de goden eeuwig leven, en dat de weg van de mens slechts kort is en vaak plotseling afgebroken wordt.‘Goden zijn. En stervelingen zijn er maar even.’

Het grote verschil tussen god en mens is niet zijn uiterlijk – sommige mensen raken in verwarring doordat de goden er zo normaal uitzien, maar het is zijn eeuwige leven. Overigens, dat eeuwige leven is voor de goden lang niet altijd een pretje. Ze vervelen zich dikwijls te pletter, maar gelukkig is de mens er nog die ze in het avontuur of het onheil in kunnen storten, zodat er nog wat te lachen valt.

Eeuwig leven, wat heeft dat ons in deze tijd te zeggen? Verlangen wij naar het leven na de dood, leven wij ernaar toe? Ik niet bepaald. Moeten we het begrip naar het land der fabelen verhuizen? Het eeuwig leven als geschiedenis verklaren? Ons bestaan in de eeuwigheid laten voor wat het is? We geloven immers niet in sprookjes, of mooie verhalen.

Maar ik denk dat dat niet hoeft. Ondanks mijn ongemakkelijkheid met het begrip, denk ik toch dat het wel degelijk zin heeft om ons erin te verdiepen. Anselmus van Canterbury zegt in zijn ‘Fides quaerens intellectum’ (het geloof dat zoekt naar inzicht): 'Wij geloven dat Gij iets zijt waarboven niets groter gedacht kan worden'. Boven God kan niets groters gedacht worden. Boven de eeuwigheid kan geen langere tijdspanne gedacht worden. God en eeuwigheid gaan ons voorstellingsvermogen te boven.

Wij leven en zijn in een beperkte ruimte en tijd. Dat er toch iets groters is dan dat wordt niet alleen in de mythologie en de bijbel verkondigd, maar ook door astronomen, natuurkundigen. Bovendien beantwoordt het ook aan ons gevoel, dat wijzelf niet het middelpunt zijn, maar dat dat middelpunt buiten onszelf moet liggen, dat wijzelf niet de as, maar de spaken van de wereld zijn.

Het besef van de eeuwigheid zet ons op onze plaats, maakt nederig. Wij zijn een deel van iets, iets dat niet ver weg is, in ruimte of tijd, maar dat er nu is, waar wij deel van uitmaken. Wij voelen het aan, maar kunnen het niet zien, zoals wij weten dat er in Australië mensen wonen, maar we kunnen ze niet zien. De eeuwigheid gaat alle grenzen van het voorstelbare te boven. Net zoals God. Wij zijn opgenomen in dat verbond van ruimte verder dan wij kunnen kijken en tijd verder dan wij kunnen denken. De eeuwigheid is het grote open venster van de wereld.

vrijdag 12 november 2010

Slagveld


Misschien dacht u, na het lezen van al mijn vrolijke berichtjes over school, dat het altijd feest is met die leerlingen van mij. Niet dus. Vandaag mijn vierde klas Basisberoeps. Pittige groep waar veel leven in zit, maar wel altijd gezellig. Vorig jaar was ik hun mentor, dus we kennen elkaar goed.

Ik begon met een prima humeur; nog één dagje voor het weekend, maar, jongens, we moeten nog van alles  doen want de toetsweek komt eraan. Kom op, we gaan beginnen. Nawal: 'Ik moet naar de wc'. 'Nee meisje, je hebt net pauze gehad en ik wil graag wat gaan uitleggen. Straks mag je.' 'Maar ik moet hééél nodig!!!' 'Nee Nawal, nu niet. Jongens, ik wil graag beginnen.' Geen spoor van motivatie in de groep. Dan maar even mijn stem verheffen. 'Hallo! We hebben nog twee lessen tot de toetsweek, dus het lijkt me handig als we nu kunnen beginnen.'

Serap is languit op twee stoelen gaan liggen. 'Serap, ga even normaal zitten alsjeblieft.' Nancherie heeft haar stoel omgedraaid en zit nu met haar rug naar mij toe. 'Nancherie, draai je 's om, ik wil wat gaan uitleggen.' 'NOU JAA, iedereen zit omgedraaid.' 'Nee hoor, alleen jij.' 'Ik hoor u echt wel hoor.' 'Nancherie, DRAAI JE OM.' Nancherie draait haar stoel tergend langzaam de goede richting uit. Het duurt Rachid allemaal te lang en om de tijd te doden heeft hij zijn oordopjes in gedaan en de muziek op zijn iPod op 10 gezet. 'Rachid, doe je muziek uit en die oordoppen uit je oren.' 'De muziek is uit, juf' 'Nu nog die oordoppen uit je oren.' 'Maar de muziek ís toch uit!' 'Rachid, ik wil dat die oordoppen niet zien.'

Aan de andere kant van het lokaal klinkt ineens een harde schreeuw. Zakaria jammert dat hij een pen tegen zijn hoofd gegooid heeft gekregen. 'Kom op Zakaria, daar ga je niet dood van, je hoeft echt niet zo te schreeuwen.' 'Maar juf, ze bekogelen me met pennen EN U DOET NIETS!!!' Ik kijk het groepje glunderende heren achterin de klas streng aan. 'Willen jullie daarmee ophouden alsjeblieft!' 'Maar juf, wij deden niets, Zakaria gooit zelf met propjes, kijkt u zelf maar, hier hebben we ze.'

'JUHUF, ik mocht niet naar de wc omdat u ging beginnen en nu zijn we nog steeds niet begonnen, ik had al tien keer naar de wc kunnen gaan.' Nawal weer natuurlijk. 'Nawal, ik wil dolgraag beginnen, maar ik lijk de enige te zijn.' Ik zucht, mijn goede bui van een kwartier geleden is allang verdwenen achter een dikke grijze donderwolk. 'DAMES EN HEREN, aangezien jullie iets uitleggen onmogelijk blijkt, gaan jullie gewoon maar aan het werk en ik kom wel langs als er vragen zijn.'

Had ik nooit moeten doen natuurlijk, want zodra ik bij een leerling sta om iets uit te leggen, vliegen de proppen papier en de pennen door lucht. Zakaria schreeuwt, Nawal schreeuwt, Rachid heeft zijn oordoppen weer in zijn oren. Ik laat het maar zo, dan heb ik van hem tenminste geen last. De rest kan nu niet meer aan het werk omdat ze geen pennen meer hebben, die liggen in stukken (dan heb je meer om mee te gooien) op de grond. Ik ben de energie om er werkelijk iets aan te doen allang kwijt.

Goddank komt ook aan deze les, na een schijnbare eeuwigheid, een einde. De leerlingen vertrekken triomfantelijk. Ik ruim de ergste rommel van het slagveld op, dan kan de collega die na mij komt in ieder geval niet zien wat zich hier heeft afgespeeld. Onderwijs? Hoe ben ik ooit op het idee gekomen om dat te gaan doen...

maandag 8 november 2010

Verhalen om uit te leven - deel 2


"In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is door Hem ontstaan, en buiten Hem om is er niets ontstaan. Wat ontstaan was, had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen. Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan. Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid."

"Toen de eerste mensen verhalen begonnen te maken om aan elkaar te vertellen, kwam er een eind aan de Chaos. Taal legde vast wat een enkeling ooit bij toeval ontdekte: dat een stam bleef drijven, dat stenen vuur konden maken. Taal ontwierp de wapens tegen verscheurende dieren. Taal onderscheidde donker van licht en aarde van water. Taal creëerde eenheid en tweestrijd, meesters en slaven. Taal leede tellen, meten, wegen. Taal vond het wiel uit. Mensen bedachten woorden voor al wat ze konden beheersen en de machten die hun te hoog gingen noemden ze goden."

Het eerste fragment hierboven komt uit de bijbel. Voor wie het niet herkent: het is het begin van het evangelie van Johannes. Geen woord over het kindje in het kribje of herders in het veld, bij Johannes is Jezus het vleesgeworden woord. Taal dus. Het tweede fragment komt bij de Grieken vandaan en is een inleiding op een van de vele oude mythologische verhalen. Taal en woorden en hun betekenis spelen ook hier een belangrijke rol.

In de cursus die ik geef over verhalen ging deel 1 over schepping, oorsprong, herkomst. En de betekenis van de taal daarbij. Wie iets vertelt over zijn eigen oorsprong of herkomst vertelt veel over zichzelf. Zo vertellen scheppingsverhalen ons ook veel over de mensen die ze bedacht en opgeschreven hebben. De kunst is, om te ontdekken wat die mensen duidelijk wilden maken. 

In de bijbel is er het verhaal van God die licht en donker, aarde en water, dier en mens schept. Bijna meteen daar achteraan gaat het al mis: door eigenwijsheid van de mens wordt hij uit het paradijs verbannen. Ook in de mythologie gaat de schepping van de mens niet probleemloos. Hij krijgt van Prometheus het vuur aangereikt waarop Zeus zó kwaad wordt (de mens kan immers niet met deze verantwoordelijkheid omgaan), dat hij Prometheus veroordeelt tot een vreselijke straf: hij wordt aan een rots gebonden en iedere dag zal een roofvogel zijn lever uit zijn lichaam scheuren, waarna die 's nachts weer aangroeit. 

Ook in de literatuur komt het thema van de jeugd, de herkomst vaak terug. Voor de cursus koos ik voor Titaantjes van Nescio. Het is een prachtig kort verhaal waarin een volwassen man terugkijkt op zijn jeugd die hij steeds met dezelfde groep vrienden heeft doorgebracht. "Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ‘t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is." 

In alle gevallen komt het opgroeien, het volwassen worden niet zonder problemen. De mens is eigenwijs, wil zijn eigen weg gaan en stoot zich onderweg maar al te vaak. Hoe vaak hoor ik ook nu iemand zeggen dat hij graag weer twintig zou willen zijn, maar dan wel met de kennis van nu. Al vallend en struikelend de weg vinden in je leven, dat is van alle tijden.

zondag 31 oktober 2010

Het grote onbekende


De film Into the wild gezien. Het gaat over een jongen, hij is pas afgestudeerd, mooie cijfers, de toekomst ligt voor hem open. Maar hij wil geen auto, geen magnetron, geen eengezinswoning. Hij geeft het geld dat hij heeft weg, knipt zijn bankpas en identiteitsbewijs door en trekt te voet de wildernis in.

Hij loopt, hij lift hier en daar een stukje mee met een vrachtwagen en loopt dan weer verder. Tot hij uiteindelijk in Alaska belandt. Zijn ideaal: niets dan de ruige natuur om hem heen. Eindeloze bossen, rivieren, woeste luchten. De film geeft een mooi beeld van iemand die onversneden zijn droom achterna gaat.

Een spiegel wordt mij voorgehouden. Ook ik ben er ooit op uit getrokken. Eerst op reis waar ik andere culturen, andere werelden heb leren kennen. Later naar het klooster, waar ik vooral mezelf leerde kennen. Het één minstens zo avontuurlijk als het ander. Ik weet nog goed dat ik in die tijd, zo na mijn afstuderen, vaak heb stilgestaan bij de gedachte dat mijn hele leven open lag, dat alles mogelijk was. Fantastisch!

Onvermijdelijk kwamen daarna de keuzes, ik sloeg wegen in en sloot deuren achter me. Ik ben gelukkig met mijn leven nu. School is geweldig, ik hoor daar thuis. Ik heb het voorrecht door mijn boeken veel interessante, boeiende mensen te ontmoeten. Ik ben een gelukkig mens.

Maar ik voel dat ik moet oppassen. Wanneer alles wel prima is, wanneer alles loopt zoals je gepland hebt, dan wordt het leven een warm hol waar je lekker in kunt liggen. Comfortabel, veilig en overzichtelijk. Is dat hoe het moet zijn? Nee! Want waar zijn dan de vergezichten, de grotere en kleinere overwinningen op jezelf, en vooral: de buitenwereld. Laat ik toch niet ouder worden met een slinkend wereldbeeld. Blind voor de schoonheid én de nood die buiten mijn huis liggen. Laat ik toch altijd, ook al is het middenin de grote stad, op zoek blijven naar the wild.

dinsdag 5 oktober 2010

Verhalen om uit te leven



Sinds kort ben ik niet alleen juf van vijftienjarigen, maar ook van volwassenen. Nou ja, het is meer dat we ons gezamenlijk buigen over een thema dat ik aandraag. Ik organiseer een cursus over verhalen.

Verhalen zijn interessante dingen. Voor zover bekend zijn wij, mensen, de enige soort op aarde die zich ermee bezighoudt. We verzinnen ze en vertellen ze door. De afgelopen paar duizend jaar schrijven we ze ook op. Sommige verhalen zijn in de bijbel terecht gekomen, andere rekenen we tot de mythologie. We kennen sprookjes en sagen, romans en toneelstukken, opera's en gedichten. Wat er ook verzonnen aan mag zijn, de thematiek is opvallend vaak hetzelfde, zo ontdekte ik toen ik me er afgelopen zomer in verdiepte.

De verhalen uit de bijbel ken ik het beste, maar toen ik me ging verdiepen in de Griekse mythen kwam ik keer op keer herkenbare thema's tegen: angst en hoop, vreugde en haat, jaloezie en strijd. Dezelfde vragen kwam ik steeds weer tegen: hoe ga je om met de onzekerheden van het leven, hoe maak je de juiste keuzes, waar komt het kwaad vandaan en waarom gaan de dingen niet zoals ik wil dat ze gaan? Hoe meer ik me erin verdiep, hoe meer ik ervan overtuigd raak, dat de mens tweeduizend jaar geleden wel andere kleren droeg dan wij, maar in de kern nauwelijks anders was. Het decor is ingrijpend veranderd, maar de spelers op het toneel - wijzelf - zijn dezelfde gebleven.

Ik vind het jammer dat in onze tijd deze oeroude verhalen en hun oeroude wijsheden vergeten raken. We hoeven ons niet uit te leveren aan opgeheven wijsvingertjes, maar een beetje inspiratie en goede raad kan nooit kwaad. Het gaat er niet om of het wel 'echt gebeurd' is zoals het er staat. Verhalen zijn geen journalistieke verslagen. Het gaat erom dat iemand iets heeft willen zeggen, duidelijk heeft willen maken.  En wat dat is, dat is vaak niet meteen duidelijk. Maar wie de moeite neemt, kan er veel uit peuteren voor zijn eigen leven, hier en nu, gratis en voor niks. Later meer over concrete voorbeelden...

zondag 26 september 2010

Een nieuwe klas


Het is zaterdagavond en ik ben op de fiets op weg om bij vrienden een borrel te gaan drinken. Ze wonen in de Indische buurt, het domein van de meeste van mijn leerlingen. Het is al donker, het regent een beetje en met een bos bloemen in mijn ene en een paraplu in mijn andere hand, wordt het er niet gemakkelijker op om het juiste adres te vinden.

Een groepje jongens is op straat aan het voetballen. Eentje roept iets naar mij. Dan is het even stil. Vervolgens schreeuwt een andere jongen naar zijn vriendje, 'Hé sukkel, dat is mijn juffrouw.' Afblijven dus. Ik moet vreselijk lachen, steek mijn hand op (die met de paraplu) en fiets verder.

Het nieuwe schooljaar is drieëneenhalve week oud. Ik heb een nieuwe mentorklas, net als vorig jaar de 3e klas Basisberoepsgerichte leerweg. De groep telt drieëntwintig leerlingen, waarvan eenentwintig jongens. Het is een overvolle kruiwagen met stuiterballen, boefjes, boenders, ongeleide projectielen, haantjes en slechts twee lieve, gezellige meisjes.

De eerste week was de toon meteen gezet: de klas zat bij een andere leraar in de klas. Tarik (stekeltjes bovenop, matje in zijn nek) zat door het raam de gang in te kijken. Ik liep langs en hij zag mij. Met een groot gebaar kreeg ik een handkus toegeworpen van deze veertienjarige hartenbreker. Ik was meteen verkocht.

Nergens, maar dan ook nergens kom je kinderen, mensen tegen die zo puur en spontaan, zo volkomen zichzelf zijn en zich zo vol overgave aan je kunnen hechten, als in deze afdeling van het onderwijs. Hoewel zij nog veel te leren hebben op het gebied van taal en rekenen, aardrijkskunde en economie, om van op tijd komen en je spullen meenemen maar te zwijgen; ik denk vaak dat wij verstandige volwassenen nog heel wat kunnen opsteken van hun onbevangen levenskunst. Wat ik dit schooljaar allemaal weer zal meemaken, weet ik nog niet. Maar saai zal het in ieder geval niet worden.

dinsdag 7 september 2010

God voor managers


Gisteren, een lezing voor een volle zaal met managers. De opdracht aan mij was, om een brug te slaan tussen het bedrijfs- en het geloofsleven. Geen gemakkelijke opgave. Want hoewel ik inmiddels wel iets afweet van de BV God&Zoon, van de zakelijke wereld weet ik vrijwel niets. Als buitenstaander ken ik slechts de vooroordelen: zakenmensen denken maar aan één ding: winst maken. Nu bestaan er over gelovigen ook zeer veel vooroordelen, dus daarin kon ik dan weer een raakpunt herkennen.

De geldwolven vielen reuze mee, en ik kon aan een oprecht geïnteresseerd publiek mijn verhaal vertellen. Hoe ik er baat bij heb dat het af en toe stil is in huis. Dat die stilte niet zwaar of opgelegd hoeft te zijn als zij gevoed wordt door het lezen van teksten, uit de bijbel of andere mooie boeken, die in de stilte herkauwd kunnen worden. Hoe dat mijn dagelijks leven kleur en diepgang kan geven.

Ik had het erover dat een klooster ook maar een handige organisatievorm is om zo veel mogelijk tijd vrij te maken voor datgene waar je je het liefst mee bezighoudt. En net als in een bedrijf of welke organisatie dan ook, heb je elkaar niet uitgekozen, maar zul je het toch met elkaar moeten rooien. En net als een bedrijf is een klooster geen democratie, en is er dus iemand anders die voor je beslist wat je die avond zult eten, en welke werkzaamheden je de volgende ochtend op jouw bordje zult vinden. En soms valt dat niet mee als persoon met een eigen wil.

En waar je ook komt of gaat, vervolgde ik, in het klooster of daarbuiten, altijd neem je jezelf mee. Met je eigen nukken, je mooie en je lelijke kanten, je rafelranden en je (on-) hebbelijkheden. Niemand wordt een ander persoon door een verandering van standplaats, waar je ook bent, je bent altijd en overal wie je bent. De kunst is, die plek te vinden waar je uitgedaagd en gekoesterd wordt tegelijkertijd. Dat kan bij de trappisten of bij Unilever zijn, eigenlijk maakt dat niet zoveel uit.

maandag 23 augustus 2010

Ik zie, ik zie...


Ik zie, ik zie... Wat zie ik eigenlijk? In het Musée des Arts et Métiers in Parijs hangt een koperen bal aan een lange, dunne draad. In een hypnotiserend ritme slingert de bal heen en weer. Onder de bal, een glazen plaat op een betonnen voet op de grond. Een conservator legt de bedoeling van deze vreemde opstelling uit door op de glazen plaat een stuk of wat pionnetjes te plaatsen. De bal slingert er rakelings langs. Na een minuut of wat tikt de bal een van de pionnetjes om. Is de bal van richting veranderd tijdens het slingeren?

Nee, het is de plaat die een fractie gedraaid is. Maar als de plaat gedraaid is, is de voet waar hij op rust dat ook, en de grond - de aarde dus - waar de voet op rust óók. Juist. Dit is een slinger van Foucault, genoemd naar de 19e eeuwse natuurkundige die met behulp van deze slinger in zijn eigen laboratorium kon aantonen dat de aarde draait.

Het is een betoverend ding. Natuurlijk weten we allang dat de aarde draait, maar om met eigen ogen te zien hoe een bal die op dezelfde plaats heen en weer slingert, plotseling pionnetjes gaat omgooien, is bijna alsof je water ziet branden. Bovendien, echt begrijpen doe ik het nog niet helemaal.

Dit levenloze ding geeft een gevoel van kleinheid. De koperen kogel met een doorsnee van een centimeter of vijftien benadrukt genadeloos het feit dat ik maar een miertje ben dat een tijdje op de door de ruimte tollende aarde mag meeliften. Ik kan me goed voorstellen dat mensen in voorbije eeuwen van hun geloof zijn gevallen bij het zien van de slinger. Waar kan God nog uithangen als niet wij, maar deze koperen bal het middelpunt van alles blijkt te zijn?

Gelukkig hangt in dezelfde ruimte als de slinger het bewijs dat de mens letterlijk en figuurlijk kan uitstijgen boven zijn lot; aan het plafond van de immense ruimte die ooit een kerk (!) was, hangt het vliegtuig waarmee Louis Blériot in 1909 het Kanaal tussen Frankrijk en Engeland over vloog. Het ding heeft vleugels van iets wat op karton lijkt en een motor zo groot als die van een brommertje. Maar Blériot overbrugde de 36 kilometer in 37 minuten. Groots.

vrijdag 20 augustus 2010

Lezen!


Eerder schreef ik al eens dat ik het niet snel doe, anderen boeken aanraden die ik mooi vind. Al te vaak krijg ik namelijk lauwe reacties terug. Voor beide partijen wat ongemakkelijk...

Maar nu heb ik toch een boek dat ik zonder schroom aan eenieder van harte durf aan te bevelen: 'The thousand autums of Jacob de Zoet'/'De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet' van David Mitchell. Op de achterkant van mijn Engelse versie staat te lezen, 'Dizzyingly, dazzlingly good'. En dat is het.

Een verhaal dat je meeneemt naar het eilandje Deshima voor de kust van Japan, waar de Nederlandse VOC zo'n twee eeuwen lang handel heeft gedreven met de Japanners. (Heb je niets met Japan? Toch het boek gaan lezen.) Een jonge klerk, Jacob de Zoet, gaat erheen met het plan er een jaar te blijven om zo genoeg geld te verdienen om met zijn geliefde in Nederland te kunnen trouwen. Hij belandt in een wereld van botsende culturen, waar verraad en liefde, corruptie en vriendschap door elkaar en over elkaar heen rollen.

Een boordevol, betoverend boek. Neem je laatste vakantiedagen op en ga het lezen!

maandag 16 augustus 2010

Vrijheid op de fiets


Klik op onderstaande link en u vindt een stukkie van mij (van afgelopen zaterdag in Trouw).

"De vrijheid overvalt me op de fiets"

(Foto: Marco Hofsté)

dinsdag 10 augustus 2010

Belangrijk


Het belangrijkste van een paar weken vakantie is, dat ik de tijd heb om alles eens even in het juiste perspectief te plaatsen, om me te realiseren wat ook al weer echt belangrijk is. Natuurlijk, mijn werk is belangrijk, ik ben ervan overtuigd dat het nuttig is wat ik doe, en ik vind het nog leuk ook. Maar soms kan ik wat overdrijven...

Ik ben een vrouw en zou er dus goed in moeten zijn om meerdere dingen tegelijk te doen. Niet dus. Niets geeft me zoveel stress als dat ik me op hetzelfde moment met meerdere dingen moet bezighouden. Ik doe graag één ding tegelijk. Als ik op school ben, hoef ik niet na te denken over vrienden of familie die ik nog moet bellen, over de boodschappen, over al die tienduizend leuke en minder leuke dingen waar het leven vol van is. Wat dat betreft zit de monnik nog altijd diep in mij; houd je aandacht bij één ding tegelijk. Maar wat ik doe, doe ik doorgaans in de vijfde versnelling, voorbijgaand aan al het andere.

Nu ik even niet hoef te werken en in de rust en de stilte zit, is er plotseling plaats voor die andere dingen. Dingen die ook bij mijn leven horen. Ineens heb ik weer veel contact met m'n zusje, met mijn beste vriendinnetje, met mijn ouders. Ik ben boeken aan het lezen, ik verslind ze. Ik zit een beetje voor me uit te turen, en zie hoe de wolken aan mij voorbij trekken (zie foto, genomen vanuit mijn kamer in het klooster). Wat is het eigenlijk heerlijk om even stil te staan en het leven aan je voorbij te laten trekken. Waarom doe ik dat niet vaker?

Ik kies de gemakkelijkste weg door steeds maar door te razen. Af en toe op de rem trappen, is heel moeilijk. Het haalt je uit je ritme. Een vlucht is het ook, niet hoeven nadenken, gewoon doorgaan. Stilstaan is het moeilijkste wat er is, want dan zie je niet alleen de blauwe lucht en de schapenwolkjes aan je voorbijtrekken, maar ook de donkergrijze donderwolken. Toch maar doen af en toe, stilstaan, dan voel je dat je leeft.

donderdag 5 augustus 2010

Het monastieke leven


Zo. Na een tijdje ondergedoken te zijn geweest, ben ik weer onder de levenden. Twee weken klooster, twee weken geen internet, geen iPhone, geen kranten, geen afleiding. Ik moet toegeven, het viel me in het begin niet mee. Ik die altijd roep dat het helemaal niet zo nodig is om altijd bereikbaar te zijn, miste het contact met de buitenwereld. Wat maakt het uit dat je even geen nieuws kunt volgen, of niet even kunt pingen of skypen? Geen moer natuurlijk, maar toch. Het was afkicken.

Toch was het goed, natuurlijk was het goed. De stilte, de ruimte, de afwezigheid van prikkels, ze maken dat je hoofd leeg raakt, dat het razen van die machine in je hoofd wat minder wordt. Toen ik me ermee verzoend had dat ik niet online kon zijn, heb ik gelezen en gestudeerd, gewandeld en geslapen en dat alles met volle teugen.

En gebeden natuurlijk. Ook dat was weer wennen. Een kwartier of twintig minuten gewoon maar in de kerk zitten, niet om bij een dienst te zijn, maar gewoon maar te zitten. Een vreemd gevoel; ik moet iets, moet ik niet iets, er zijn Dingen die ik moet Doen! O nee, er is niets. Bidden is moeilijk, want bidden is niets 'doen'.

Ik kan nog altijd jaloers worden op de monniken - zusters in dit geval - die hier hun levensvervulling van kunnen maken. Het is zó radicaal, het is zo totaal anders dan het leven dat jij en ik leven. Het is je helemaal geven voor één ideaal. En ik weet uit eigen ervaring, dat die meiden daar echt geen heiligen zijn. Het zijn gewone mensen, met gewone verlangens. Ik heb daar twee weken lang een beetje tegenaan kunnen schurken, kunnen meeliften op de trein die zij in beweging houden. Het is een trein die dwars door de tijden heen in alle rust doorrijdt en alles wat echt belangrijk is in het leven in zijn wagonnetjes meeneemt.

maandag 19 juli 2010

Machtsvertoon


Ik ben in Rouaan, de stad waar Jeanne d'Arc op de brandstapel aan haar einde kwam (en waar nu op slimme wijze commercieel op ingespeeld wordt) en de stad waar Pierre Corneille geboren werd. Het is ook een stad die in de jeugdboeken van Thea Beckman over de Honderdjarige oorlog tussen de Engelsen en de Fransen een grote rol speelt. Ik verslond ze, en ik kan het niet laten om steeds aan Bertrand Du Guesclin en zijn metgezellen te denken als ik hier rondloop. Zo gezapig als de provinciestad er nu bij ligt, zo hard en wreed is hier in de voorbije eeuwen gevochten.

In de stadskern kun je de Middeleeuwen aanraken. De Fransen hebben gelukkig niet de vernieuwingsdrift die wij soms hebben. Dat betekent vooral: kathedralen met torens die tot in de hemel reiken. De heersende macht van een tijdsperiode laat zich aflezen aan de omvang van de gebouwen, zo las ik ooit ergens. In de Middeleeuwen was dat de kerkelijke macht; zie de hoogte van de kerktorens. In de zeventiende eeuw nam - in onze gebieden tenminste - de burgerij het stokje over, en moesten hele woonwijken verdwijnen voor hun stadhuizen. En in onze tijd zijn het de banken, de verzekeringsmaatschappijen en de accountants die steeds verder de lucht in gaan met hun torens van staal en glas.

Vertoon van macht, en wij, gewone stervelingen, vergapen ons eraan. De duizenden ornamenten op, in en aan de vele kerken die dit stadje telt zijn duizelingwekkend. Hoe langer je ernaar kijkt, hoe meer. Apostelen, profeten, kerkvaders, engelen, duiveltjes, bijbeltaferelen, bloemen, vogels en vissen sieren de binnen- en de buitenkant. Of het mooi is, laat ik graag aan ieders smaak over, maar het is in ieder geval bijna een wonder te noemen hoe zoiets ooit gebouwd heeft kunnen worden.

Vakantie is je oude omgeving verlaten om nieuwe indrukken op te doen, andere werelden te ontdekken. Dat kan ook het verleden zijn. Ik nestel me op een terrasje, bestel een Perrier en laat me in gedachten meevoeren naar de tijd waarin het verschijnsel Wifi nog lang niet uitgevonden was.

zondag 4 juli 2010

De blues


'Eindeschooljaarsblues' stond er boven een artikel in de krant afgelopen week. Het stuk was me uit het hart gegrepen. Het einde van het schooljaar (nog één week te gaan) is een tijd van tegenstrijdige gevoelens.

Afgelopen donderdag was de diploma-uitreiking. Stralende gezichten van leerlingen, ouders en docenten. Een slagingspercentage van maar liefst 95 procent. We kunnen trots zijn als school. Van mijn 38 examenleerlingen waren er slechts twee met een onvoldoende voor Nederlands. Een enorme last die van mijn schouders valt. Niet meer de verantwoordelijkheid om al die kinderen, willig of onwillig, slim of wat minder slim, naar de eindstreep te sleuren. Mijn taak zit er voor dit jaar op, het is tijd om even rustig adem te halen.

Maar het betekent ook dat ik al die leuke, gekke, blije gezichten niet meer ga zien. Ze gaan de wijde wereld in. Sommigen zullen nog wel eens langskomen, maar het zal nooit meer hetzelfde worden. Zij gaan verder en ik blijf achter, wachtend op weer een nieuwe lichting die nóóit zo leuk kan zijn als deze.

Ik heb ruzie met ze gemaakt en onbedaarlijk met ze gelachen, ze hebben straf van me gekregen, maar ik was ook trots op ze. Twee jaar geleden waren we onbekenden voor elkaar, en nu nemen we afscheid als oude vrienden. Ik ken ze door en door, en zij mij. Vele uren hebben we met elkaar doorgebracht in dat klaslokaal. Soms was het een feest, soms een ramp. Er waren dagen waarop ik niet uitgeslapen en chagrijnig was, en dagen waarop de hele klas met de hakken in het zand ging staan. Maar de laatste maanden hebben we vooral heel hard gewerkt voor dat ene doel: het diploma.

De gangen op school zijn nu leeg en kaal. Hier en daar plukjes leerlingen om nog iets in te halen of voor een gesprek met de decaan. Maar het bruisende, het leven is uit de school. Ik breng mijn dagen nu vooral door achter de computer: studiewijzers en planningen voor volgend jaar maken. Kopje koffie erbij, tijd om tussen de middag rustig mijn boterhammetje te eten. Net als bij een gewone baan. Ik mis de stemmen van de leerlingen, het geluid van hun voetstappen. Een school zonder leerlingen is een dood gebouw.

Ik weet het, ik zal straks volop genieten van mijn welverdiende weken vakantie. Maar nu moet ik vooral wennen aan de plotselinge overgang. Wie ben ik als ik geen juf ben? Niemand. Ik lijd onder de eindeschooljaarsblues.

maandag 28 juni 2010

Verloren


Dagelijks worden we overspoeld met hartverscheurende beelden op tv. Maar weinig is zo hartverscheurend als het beeld van voetbalfans van de verliezende ploeg na afloop van de wedstrijd. Negentig minuten geleden lag de wereld nog aan hun voeten. Ze wisten het zeker, hun ploeg ging winnen, al moesten ze die bal het doel in schreeuwen.

Een gekke pruik of petje is allang niet genoeg meer. Gisteren stonden tussen de Engelse fans in vol ornaat uitgedoste ridders, compleet met maliënkolders en helmen. Eerder golfden de stars&stripes van de Verenigde Staten door het stadion en het groen van de Mexicanen. Het mocht niet baten. Engeland verloor en ook de Amerikanen en de Mexicanen mogen naar huis.

En daar zit je dan. Heb je 2-1, 3-1 of 4-1 verloren, wat maakt het uit. De geschminkte kleuren van de vlag op je wangen zijn uitgelopen. Je pet is ingedeukt, je toeter ligt ergens zes rijen naar beneden. Heb je al die moeite gedaan om helemaal naar Zuid-Afrika af te reizen, waar het nog ijskoud is ook, en dan verliezen die klootzakken op het veld. Stank voor dank.

Verliezen, wie houdt daar nou rekening mee? Als je er vanuit gaat dat je kunt verliezen in het leven, dan kun je beter meteen ophouden. Het is maar goed dat wij mensen onszelf stelselmatig overschatten. We hopen niet alleen, nee we wéten dat we gaan winnen, dat het goed komt, als we ons best maar doen.

Soms loopt het anders, dan heb je alles gedaan wat je kon doen, en verlies je toch. Dat kan onze geest niet aan, hij crasht, weet zich niet meer op te starten. Het zijn de zwartste momenten in het leven. Dus er moet gewonnen worden, en áls we niet winnen, dan moet daar een aantoonbare reden voor zijn. Een blunderende scheidsrechter bijvoorbeeld.

En dan maar weer zoeken naar lichtpuntjes; er is dan wel verloren, en je moest huilen en je zag er niet uit met je doorgelopen schmink. Maar je was wel mooi met je hoofd op tv. Kun je nagaan, het beeld van jouw verdriet is de hele wereld over gegaan. Dat is dan wel weer een hele troost.

maandag 21 juni 2010

Iets vergeten?


De eindexamens zijn achter de rug, de uitslagen al binnen. Nog nooit in mijn hele bestaan als lerares waren de resultaten zo goed. Ik loop al weken glimmend van trots door de gangen op school. Collega's die het minder getroffen hebben met hun resultaten zijn de grijns op mijn gezicht meer dan zat.

Wie twee klassen minder heeft vanwege de eindexamens, heeft zeeën van tijd over zou je denken. Niet dus. Het is als stoppen met roken. Dan denk je ook dat je een klein fortuin overhoudt aan het eind van de maand omdat je geen sigaretten meer hoeft te kopen. Ook niet waar (schijnt het).

Volgend schooljaar dient zich al weer aan. Wie straks in september goed beslagen ten ijs wil komen, moet nu iets gaan doen. Daarnaast zijn er ook nog artikelen te schrijven, heb ik een computer die eerst geen mail wil ontvangen, maar wel versturen en die later weer wel kan ontvangen, maar ophoudt met ze te versturen. En dan is er natuurlijk ook nog het WK. Heel belangrijk.

Maar er knaagt iets, er is iets. Wat het is, daar kom ik niet helemaal achter. Heel veel tijd om bij dat gevoel stil te staan, heb ik ook niet, want iedere avond val ik uitgeteld in slaap. Ik ken dat zeurderige gevoel, heb het vaker meegemaakt. En als ik zoals vandaag een dag vrij ben, dan daalt het besef in van wat er aan de hand is.

Ik wilde verdieping in mijn leven, toch? Niet alleen maar rennen en jagen, maar stilstaan bij het leven zelf. Ik wilde tijd maken voor God, iedere dag, omdat ik daardoor een gelukkiger mens word. Lezen, gebed, ruimte in mijn hoofd om gedachten te laten ronddwalen. Dàt is wat ik wil, wat ik belangrijk vind. Ik wil niet op een ochtend wakker worden en merken dat het tien jaar later is, zonder dat ik me kan herinneren wat ik in de tussentijd gedaan heb. Zonder dat ik het doorheb, vliegt mijn leven bijkans uit de bocht. Ik voel me schuldig als ik een middagje bij vrienden niets anders doe dan in de zon van een glas wijn genieten.

Monniken bidden zeven keer per dag. Zeven keer per dag moeten zij dat wat ze aan het doen waren; slapen, eten, werken, studeren, laten voor wat het is om naar de kerk te gaan. Dat is niet bedacht uit pesterij. Het steeds weer onderbreken van wat je doet heeft een belangrijke functie: zo zul je niet verdrinken in je bezigheden. Iedere keer, al is het maar een kwartier afstand nemen, maakt dat je leert relativeren en je tijd efficiënt indelen.

Ik ben vooralsnog lang niet zo ver. Stilstaan en afstand nemen vind ik het moeilijkste wat er is. De wereld om mij heen beweegt zich voort in de vijfde versnelling en ik doe daar vrolijk aan mee. Morgen maar 's proberen niet te vergeten wat ik ook al weer zo belangrijk vind in het leven en terug te schakelen naar z'n drie.

dinsdag 8 juni 2010

Amin


Maak kennis met Amin, een van mijn leerlingen uit klas 3A3. Amin is groot en rond en sterk als een beer. Zijn bril, waar hij toch al niet zoveel door ziet, is altijd vies. Het lijkt hem niet te deren. In zijn trainingspak kun je hem uittekenen. In zijn zakken een mobiele telefoon, soms twee. Als hij eraan gedacht heeft bij het van huis gaan 's ochtends, is er ook nog wel een pen te vinden in een van die zakken.

Met een spanningsboog van een minuut of twee, is hij een typische 'basisberoeps'-leerling, het laagste niveau van het vmbo. Amin houdt meer van grappen maken dan van leren, meer van praten dan van luisteren, is beter in een ander vertellen wat hij moet doen dan dat hij zelf in actie komt. Maar hij is niet dom, zeker niet. Hij denkt na over de wereld, heeft over alles een goed onderbouwde mening, hij weet wat hij wil.

Ontelbaar zijn de aanvaringen die ik met hem gehad heb. Alleen al de vraag of hij ergens anders wilde gaan zitten in het lokaal, kon leiden tot oorlog. Amin heeft zo zijn eigen plan, en laat zich daar niet van af brengen. Als dat leidt tot verwijdering uit de klas, tot schorsing zelfs, dan is dat maar zo. Hij schrikt er niet voor terug om met wie dan ook in discussie te gaan, tot de directeur aan toe, overtuigd als hij is van zijn eigen gelijk. En het vervelende is, Amin hééft ook meestal gelijk.

Langzaamaan kwamen we erachter dat we van die grote mond en dat gelijk van 'm gebruik moesten maken. Ik stopte met hem te beschuldigen van alles wat niet goed ging, maar spande hem voor mijn karretje; de eerste van de klas die een spreekbeurt moest houden, de school rond om geld in te zamelen voor een goed doel, Amin doet het zonder problemen. Afgelopen maandag stond hij voor veertig leerlingen te vertellen over het project dat ze zouden gaan doen. Hij deed het glansrijk.

Hij heeft geleerd zich in te houden, is rustiger. Het gaat nog wel eens mis, maar hij doet zijn best. En als het even niet gaat, hoef ik hem maar aan te kijken en dan weet hij wat ik bedoel. Van een ongeleid projectiel is hij in een paar maanden tijd veranderd in een fantastisch, lief en uniek kind. Of, eigenlijk was hij dat natuurlijk al, het kwam er alleen niet uit. Als ik Amin zie, weet ik weer waarom ik het onderwijs op deze school zo verschrikkelijk leuk vind.

woensdag 2 juni 2010

Over de streep


Ik geef niet snel adviezen om een bepaalde film te gaan zien of een zeker boek te lezen. Boeken of films waar ik weg van ben, vinden anderen meestal saai en oninteressant, en dat verdraag ik slecht. Maar nu wel een advies om te gaan kijken: op Uitzendinggemist.nl de documentaire Over de streep.

Een groep leerlingen uit een derde klas op een Amsterdamse middelbare school wordt een dag lang onderworpen aan een Amerikaanse methode om elkaar beter te leren kennen. Meer respect voor elkaar en een einde aan pestgedrag is het doel. Spelenderwijs raken de leerlingen, die soms al jaren bij elkaar in de klas zitten, zo vertrouwd met elkaar dat ze meer vertellen dan ze ooit gedaan hebben.

Het is ontroerend om te zien en te horen wat er werkelijk leeft onder deze pubers. Alle stoerdoenerij, alle façades vallen weg. Na deze dag zullen de leerlingen op een totaal andere manier naar elkaar kijken.

De documentaire laat bijna terloops zien wat deze kinderen allemaal meemaken in hun leven. Ik ervaar het ook bij mij op school vrijwel dagelijks. We foeteren op leerlingen omdat ze te laat komen of omdat ze hun huiswerk niet gemaakt hebben. Maar hoe kan dat ook wanneer ze thuis te maken hebben met drank- en drugsproblematiek, geweld, ruzies, mishandeling, ziekte, dood.

De omstandigheden waaronder sommige van mijn leerlingen opgroeien, gaan ieder voorstellingsvermogen te boven. Het zijn bovendien geen enkele gevallen, en dan nog weet je niet altijd wat kinderen verborgen houden voor de buitenwereld. Wat zo bijzonder is, is ze het vermogen hebben om uit iedere denkbare situatie terug te stuiteren. Ze zijn altijd vrolijk, klagen nooit, gaan braaf een te-laatbriefje halen als de conciërge dat van ze verlangt.

Als leraar vergeet je gemakkelijk dat zij het niet zo getroffen hebben, zoals ik toen ik vijftien was. De tijd en energie ontbreekt me soms om iedereen de aandacht te kunnen geven die die verdient. Maar ik weet uit ervaring dat achter ieder kind een verhaal zit dat vaak heel anders is dan die stoere buitenkant zou vermoeden.

Voor velen is school de enige plek waar het veilig is, waar ze vrolijk kunnen zijn, waar ze zichzelf kunnen zijn, en zelfs daar is het niet altijd veilig. Over de streep laat een doodgewone school met doodgewone leerlingen zien op een buitengewone wijze. Ga het bekijken!